Spoiler: er komt altijd een zesde.
Er zijn zinnen die je tijdens je opleiding niet leert.
Ze staan niet in de wet. Niet in de modellen. Niet in de beroepsregels.
En toch kent iedere notaris ze.
Na een paar duizend aktes hoor je meestal al bij de eerste woorden welke kant het op gaat.
1. “Het is eigenlijk heel eenvoudig.”
Dat is het nooit.
Als iemand begint met de mededeling dat iets eigenlijk heel eenvoudig is, weet ik inmiddels dat er minimaal drie familieleden ruzie hebben, één buitenlandse vennootschap bestaat waarvan niemand precies weet wie de eigenaar is en ergens in 1997 een onderhandse overeenkomst is getekend die helaas niemand meer kan vinden.
Maar verder: heel eenvoudig.
2. “We zijn het overal over eens.”
Ook een mooie.
Vooral bij scheidingen, nalatenschappen en samenwoners die uit elkaar gaan.
“We zijn het overal over eens.”
Tot we bij het huis komen.
Of het geld.
Of de inboedel.
Of die ene schenking van vader waarvan de ene broer zeker weet dat het een schenking was en de andere broer zich opvallend goed herinnert dat vader het woord lening gebruikte.
Overal over eens.
Behalve over alles wat ertoe doet.
3. “Dat regelen we later wel.”
Nee.
Later is de natuurlijke vijand van het notariaat.
Later is wanneer mensen niet meer met elkaar praten.
Later is wanneer iemand een nieuwe partner heeft.
Later is wanneer iemand ziek wordt.
Later is wanneer degene die precies wist hoe het zat er niet meer is.
En later is opvallend vaak het moment waarop iemand bij mij aan tafel zit en zegt:
“Had iemand ons dit destijds maar verteld.”
Dat hebben we.
4. “Maar het is toch mijn geld?”
Jazeker.
En toch zitten we hier.
Omdat eigendom, huwelijk, gemeenschap, schenking, erfrecht, fiscaliteit en de werkelijkheid soms een iets ingewikkeldere relatie met elkaar onderhouden dan het saldo in de bankieren-app doet vermoeden.
Dit is meestal ook het moment waarop ik papier pak.
Een schema teken.
Nog een schema teken.
Het eerste schema doorstreep.
En uiteindelijk zeg:
“Laat me het anders uitleggen.”
5. “Kan dat niet gewoon in één zinnetje?”
Natuurlijk.
Alles kan in één zinnetje.
De kunst is alleen een zinnetje te schrijven dat over twintig jaar nog steeds betekent wat u vandaag denkt dat het betekent.
Dat is ongeveer ons vak.
Wij maken ingewikkelde dingen niet ingewikkeld omdat we daar bijzonder veel plezier aan beleven.
We maken ze soms ingewikkeld omdat het leven de hinderlijke gewoonte heeft om later anders te lopen dan mensen vandaag verwachten.
Een huwelijk eindigt.
Een onderneming groeit.
Een kind overlijdt eerder dan zijn ouders.
Een broer krijgt ruzie met een zus.
Een belastingregel verandert.
De grote liefde blijkt achteraf vooral een bijzonder kostbare vergissing.
En dan moet dat ene zinnetje het nog steeds doen.
Daarom vragen we door.
Daarom zijn we soms irritant precies.
Daarom willen we weten wat er gebeurt als plan A niet gebeurt.
En daarom staat er soms een halve pagina waar iemand één regel had verwacht.
Niet omdat wij moeilijk doen.
Maar omdat wij betaald worden om alvast ruzie te maken met de toekomst, zodat u dat later hopelijk niet hoeft te doen.
En dan is er natuurlijk nog die zesde zin.
Mijn persoonlijke favoriet.
Die komt meestal aan het einde van een bespreking. Nadat alles is uitgelegd, doorgerekend, besproken en nog één keer samengevat.
De cliënt kijkt naar de papieren.
Kijkt naar mij.
Denkt even na.
En zegt:
“Maar wat zou u zelf doen?”
Tja.
Daar begint meestal de volgende bespreking.



